woensdag, februari 29, 2012

Kinda gamey

(Waarom) hou ik van Game of Thrones?

Het zijn zelden onschuldige vragen die met waarom beginnen. En ook nu aarzelde en haperde ik toen deze vraag (met ‘jij’ ipv ‘ik’) op mijn muur verscheen. Want waarom hou ik van GoT en, bij uitbreiding, van ‘A Song of Ice and Fire’? Dat ik er van hou staat voor mij buiten kijf; het televisieaanbod is niet van die aard dat we enorm kieskeurig kunnen zijn, maar dat is een reden om naar ‘The Big Bang Theory’, ‘Castle’ of ‘House’ te kijken (wat ik ook met veel plezier doe). Met dat soort audiovisuele lectuur staat GoT in contrast, neigend naar een literairder, intellectueler niveau (zonder dit per se te bereiken); ook in tijden van overvloed zou het de selectie halen, me dunkt. Dat geldt evengoed voor de boekenreeks: ik ga ze geen literatuur noemen, maar denk er wel zo over, toch zeker binnen het fantasygenre (lagere standaarden...). Natuurlijk heb ik lang niet alles gelezen wat de fantasy te bieden heeft, maar George R.R. Martin steekt wel met kop en schouders uit boven de andere fantasy auteurs die ik ken, als Robert Jordan of Robin Hobb. En ja, hij is ook beter dan Tolkien, maar dat is niet moeilijk, want 'The Lord of the Rings' is saai en oninteressant.*

There, I said it. Moving on.

Het aspect waar Martin in slaagt, waar vele anderen falen en waarom ik fan ben van zowel GoT als ASoIaF, is psychologisch realisme. De personages, zowat alle personages die in het verhaal voorkomen, hebben een driedimensionale binnenwereld. Ze gedragen zich menselijk in de situaties waarin ze terecht komen, waardoor het verhaal ook wat kan afstappen van de stereotypische ‘evil’ tegenstanders. Dit in tegenstelling tot de meeste fantasy, die min of meer Satan en zijn duivels opnieuw en opnieuw recycleren. “The bible did it!”** ASoIaF/GoT heeft ook een duisternis die de wereld bedreigt, maar het is een schaduw die over de andere conflicten hangt, niet de basis van de plot.

Oh, en seks natuurlijk. Dat is voor de verandering geen dom mopje. Constant verbonden met de rest van de wereld als we zijn (en enkel afgekoppeld als we het zelf kiezen) kunnen we het ons misschien moeilijk voorstellen en, toegegeven, de kans bestaat dat ik de bal helemaal mis sla, maar in een wereld zonder boekdrukkunst of enige vorm van audiovisuele kunsten die makkelijk reproduceerbaar en verspreidbaar zijn, blijven er drie hoofdvormen van entertainment over: theater (inclusief de zingende minstreel), geweld (toernooien, executies, bar fights; ook te vatten onder de noemer ‘sport’) en seks. En daardoor zorgt de combinatie van incest en onthoofde paarden voor realisme.***

Hierdoor is het een far cry van de raciaal gesegregeerde maatschappij waar LotR zich afspeelt, of de Romantisch ridderlijke ingesteldheid, op het kinderlijke af, van de hoofdpersonages van Jordan’s The Wheel of Time. ASoIaF/GoT is daarom niet onmiddellijk een must-read of een must-see, maar met een culturele industrie die dagelijks meer produceert dan een individu op een week kan verwerken, weet ik niet of dat nog bestaat.

Behalve dan ‘Dune’, van Frank Herbert. Dat moet u sowieso gelezen hebben.

* Als het u irriteert, mag u overal ‘naar ik meen’, ‘vind ik’, of ‘maar dat is mijn mening, natuurlijk’ erbij zetten, maar daar dit mijn weblog is, leek het me wat overbodig.

** Voor wie niet voldoende onderlegd is in de Amerikaanse culturele hegemonie: meer uitleg en een filmpje (dat zal werken zodra de maintenance voorbij is). 

*** Dat is een unieke zin, gok ik.

woensdag, februari 22, 2012

Poor guy...


Simple

At the end of the dusty road, Cimple stands on the corrugated iron porch of the two chamber hut that could barely be called a house. Cimple is relatively happy, even though he would never say that. There is plenty he avidly disagrees with, but it rarely occupies his mind, and always briefly. Cimple stands at the end of his dusty road and laments the state of the world, in so far as he knows it. He packs his pipe and stares at the mountains limiting his reality, the mists around their peaks as thin as they’ll get today. At the foot of the mountain there’s a village Cimple calls a town. Not a heinous place, it has a church and a priest, but the beer they sell is flat. Cimple doesn’t like going there, for reasons he can’t really put his finger on. Maybe, he thinks, maybe it’s the annoying vagrant children that come begging when I arrive at the other side of my dusty road. They remind him of himself and that disquiets him, with no explanation sought or found. No one has ever remarked on it, not even the whore, their supposed mother, but Cimple still feels obligated to throw them a few coppers every time.

What is completely lost on him, however, (and amongst many other things,) is that all of this is his. Not just the children, marked with his big ears, or the dusty road, comprised of his footprints. The whore as well, who always makes him thankful for the flat beer, and the priest, same, are both his. Even the wooden church, a decaying ruin no carpenter would enter, is his. Not his possession, Cimple has rough toilet paper and just enough money to remain drunk. This was all his, the mountains and the children, the dust and the religion, and it’s his limitation. Even at those times when he puts on the television, allowing his fear to be fed by people he trusts completely, even then there is only, at the most, the illusion of a bigger world. At those times Cimple can almost comprehend the barriers that hold and guide him, back and forth, shuffling through the dust. Beyond the mountains and beyond the village there is nothing and in the village as well, in between the children and the priest and the whore, an oppressive nothing. Cimple can feel it, a void that pulls at him, tries to fill itself. Cold and cancerous, ever growing and ever unknown. Every year the void seems a little more corporeal, a little less comprehensible, a little creepier.

When the mists stop coming to obscure the peaks, Cimple hasn’t walked down his dusty road in a long while. He still stares often at the mountains in the distance, but he can see them less and less. Someone he vaguely recognizes brings him flat beer every now and then and joins Cimple as he watches the people he trusts, maybe trusted, but who still scare him. The unknown void seems almost tangible in those finale years and during the many hours spent in solitude Cimple comes to long for it. His reality feels like a prison and every once in a while he realizes that nobody had built it but him.

The void eventually engulfs the cabin. The village manages to resist a little, but falls to it just the same. Entropy does the rest. As always.


Simpel

Aan het einde van een stofweggetje staat Cimpel, onder de golfplaten veranda van een tweekamerhut die enkel met veel moeite een huis genoemd kan worden. Cimpel is betrekkelijk gelukkig, al zou hij dat zeker niet zelf zeggen. Er is genoeg waar hij het grondig mee oneens is, maar hij denkt er zelden aan, en nooit lang. Cimpel staat aan het einde van zijn stofweg en beklaagt zich de staat van de wereld, voor zover hij die kent. Hij stampt zijn pijp aan en staart naar de bergen die zijn realiteit begrenzen, de slierten mist rond de toppen op het dunst van hun dag. Aan de voet van de bergen ligt een dorp dat Cimpel een stad noemt. Geen oord van verderf, er is een kerk en een pastoor, maar je kan er enkel flauw bier kopen. Cimpel komt er niet graag, om redenen die hij zelf niet kan verklaren. Misschien, denkt hij, zijn het de irritante straatkinderen die komen bedelen als ik aan het andere eind van mijn stofweggetje aankom. Ze doen hem aan zichzelf denken en dat zint hem niet, zonder dat hij precies weet waarom. Niemand heeft het ooit opgemerkt, zelfs de hoer, hun vermeende moeder zegt niets, maar toch voelt Cimpel zich altijd verplicht om wat koper in hun richting te gooien.

Wat hem echter ontgaat – wat hem echter onder andere ontgaat – is dat dit alles het zijne is. Niet alleen de kinderen, gemerkt met zijn grote oren, of de stofweg, een geheel van zijn voetafdrukken. Ook de hoer, die hem altijd dankbaar maakt dat er bier te vinden is in het dorp, en de priester, idem, zijn de zijne. Zelfs de houten kerk, een bouwval die geen ambachtsman zou trotseren, is van hem. Niet als bezit, Cimpel heeft ruw toiletpapier en amper genoeg inkomsten om dronken te blijven. Dit alles is de zijne, de bergen en de kinderen, het stof en de religie, en het is zijn beperking. Zelfs op die momenten dat hij de televisie opzet en zijn angst laat voeden door mensen die hij al zijn vertrouwen geeft, zelfs dan is er enkel, hoogstens, een illusie van een bredere wereld. Op die momenten kan Cimpel bijna de grenzen bevatten die hem inperken en sturen, heen en weer sloffend door het stof. Voorbij de bergen en voorbij het dorp is er niets en ook in het dorp, tussen de kinderen en de priester en de hoer, een drukkend niets. Cimpel voelt het, de leegte die aan hem trekt, zich probeert op te vullen. Kil en kankerig, altijd groeiend en altijd onbekend. Elk jaar wordt de leegte ongrijpbaarder, onbegrijpelijker, angstaanjagender.

Wanneer er geen mist meer rond de toppen hangt, kan Cimpel zijn zandweggetje niet meer afwandelen. Hij staart nog geregeld naar de bergen in de verte, maar kan ze steeds minder goed zien. Iemand die hij vaag denkt te kennen brengt hem soms flauw bier en kijkt mee naar de mensen die Cimpel vertrouwt, misschien vertrouwde, maar die hem angstig maken. De onbekende leegte lijkt haast tastbaar in die laatste jaren en tijdens de vele eenzame uren begint Cimpel ernaar te verlangen. Zijn realiteit voelt als een gevangenis en het besef dringt af en toe tot hem door dat die enkel door hem gebouwd kon zijn.

De leegte slokt de hut uiteindelijk in haar geheel op. Het dorpje biedt iets meer weerstand, maar valt er even goed ten prooi aan. Entropie doet, zoals altijd, de rest.

 

woensdag, januari 11, 2012

As himself...



Waarschijnlijk gewoon haakjes vergeten.
Maar toch denk ik graag dat iemand bij De Morgen er voor de lol dit soort mopjes insteekt...

maandag, december 05, 2011

For shame!

Beste De Morgen,

Al die "Persoon X gooit de handdoek" titels irriteerden me matig. De eigenlijke uitdrukking is 'de handdoek in de ring gooien', afkomstig uit de bokswereld, waarbij de trainer een match kan forfaiteren door een handdoek in de ring te gooien. Gewoon zeggen dat iemand een handdoek gooit, betekent niets anders dan dat er letterlijk met een handdoek gegooid wordt en is meestal geen nieuws. Ongetwijfeld worden deze titels ingedekt met een 'je snap toch wat er staat', maar dat argument is amper geldig in gesproken conversaties en in het geheel niet in wat we nog steeds 'een kwaliteitskrant' noemen.

Maar de titel "Pizzakoning Herman Cain gooit de handschoen in presidentsrace" betekent het omgekeerde van wat er bedoeld wordt. 'De handschoen werpen' betekent een uitdaging geven, 'de handschoen opnemen' betekent een uitdaging aangaan. Maar Cain gooit de handdoek in de ring. Geeft de handschoen terug, misschien, als het echt iets met handschoenen moet zijn?

Om kort te gaan, als jullie me toch nog als freelance eindredacteur willen aannemen, ik ben nog steeds beschikbaar. Want het wordt zo stilaan toch wel gênant...

Vriendelijke groet,

Folker

maandag, oktober 31, 2011

A Rose by Any Other Name


Het artikel over het populismeonderzoek van Elchardus enSpruyt (DM 29/10) bevat vreemde uitgangspunten. Waar er staat “Zij definiëren populisme als een kloof tussen goede, verstandige 'gewone mensen' enerzijds en [een] wereldvreemde en al dan niet corrupte 'elite' anderzijds.” denk ik dat ze het waarnemen van een vermeende kloof bedoelen. Anders zou populisme iets zijn als de loonkloof, namelijk een statistisch feit.

Maar zelfs dan is deze definitie nodeloos beperkt. Door de verplichte tegenstelling tussen het volk en de elite, vallen populistische leiders die zelf deel uitmaken van de elite, zoals Chavez of Poetin, onmiddellijk uit de boot. De schuld bij de elite leggen is slechts één mogelijkheid tot het creëren van een zondebok. En hoewel elke populist een zondebokgroep nodig heeft, kan dit evengoed op basis van ethniciteit, sociale klasse of taal.

Een tweede vreemd uitgangspunt, naast de beperkende definitie, is de bewering dat het populisme enkel een succesvolle strategie kan zijn als er hiervoor een voedingsbodem bestaat. Dit is echter niet zo voor de hand liggend en lijkt eerder wishful thinking dan wetenschap.  Een populist kan immers evengoed falen door de eigen onkunde als door het gebrek aan voedingsbodem. Omgekeerd kan een populist die slaagt evengoed zelf de voedingsbodem gecreëerd hebben.

Een duidelijk, maar altijd precair voorbeeld van het populisme is het nationaal-socialisme. Als we de lijn van dit populismeonderzoek doortrekken, volgt daaruit dat de genocides onder leiding van de NSDAP de natuurlijke uitloper waren van een algemeen heersend gevoel onder het Duitse volk waar Hitler en de zijnen op inspeelden. Dit is op zich zeker aannemelijk. Maar dit gevoel was waarschijnlijk geen irrationele haat voor iedereen die op een of andere manier “anders” (tussen vette aanhalingstekens) was. Het heersende sentiment dat toen misbruikt werd, was er eerder één van wanhoop en armoede vanwege de torenhoge staatschuld en slabakkende economie die het land in hun greep hielden in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog. En dáárvoor boden de nazi’s een gigantische zondebok die, eens geslacht, alle problemen zou oplossen.

De grootste misvatting lijkt me dan ook dat de onderzoekers uitgaan van het bestaan van een populatie die niet als voedingsbodem voor het populisme kan dienen. Het is in tijden van economische crisis altijd aantrekkelijk om één groep te beladen met alle zonden van Israël en deze vervolgens uit de samenleving te verwijderen, met geweld of desnoods met een staatshervorming. Maar ‘het volk’ laat maar zelden een slogan die haar aanspreekt links liggen. Of we nu met z’n allen Barabas vrijlaten, uit volle borst “Geen gezeik, iedereen rijk!” scanderen, dan wel alle problemen van de samenleving vatten onder de noemer “verstrikking”, ik denk dat het pas nieuws kan genoemd worden als er een grote groep mensen wordt gevonden die niét vatbaar is voor populisme.


Folker Debusscher
gepeupel
Antwerpen

donderdag, augustus 25, 2011

God, shmod

In reactie op Rik Torfs (DM23/08)


Die god van u, monseigneur Torfs, is in het beste geval een leugenaar en in het slechtste geval een apathische lul. Een almachtig wezen dat daadwerkelijk het universum zou hebben geschapen, is waarschijnlijk in het geheel onkenbaar, op elk vlak. Maar ik vraag me af waarom u en de uwen hem/haar/het dan behandelen als een Ancien Régime koning(in?) die boven elke kritiek verheven is en teert op nepotisme en vlijerij.

De medewerker van Het Nieuwsblad is niet ontslagen uit een antitheïstische gag reflex, maar omdat het de beste manier was om aan schadebeperking te doen. Hij was niet de eerste en zal ook niet de laatste zijn die een calamiteit als een straf ziet. En dat, monseigneur Torfs, dat mensen die lijden en sterven dit doen omdat ze een reeks arbitraire en archaïsche regels niet volgen, is niet alleen onzin (ik wil geen mopje maken over hoe gelovigen even makkelijk sterven als de ketters), maar onwaarschijnlijk grof, kwetsend en neerbuigend. Daarom is de man ontslagen.

Daarnaast is het een al te makkelijke verdediging om te zeggen dat wie zich snel ergert aan arrogante gelovigen met bekeringsdrang eigenlijk op zoek is naar een god. Net zoals veruit de meeste homofoben niet stiekem homoseksueel zijn, zo is waarschijnlijk lang niet elke antitheïst stiekem gelovig. Er zullen waarschijnlijk zelfs meer homofobe homoseksuelen bestaan dan antitheïstische theïsten, al was het maar omdat religie nog steeds veel makkelijker wordt geaccepteerd door niet-theïsten, dan zowat alle mogelijke vormen van afwijkend gedrag door religieuzen.

Religie is, laten we wel wezen, achterhaald. Het was een manier om de realiteit – dat onmogelijk complex geheel – te interpreteren voor we betere instrumenten ontwikkelden. Religie verhoudt zich tot de hedendaagse maatschappijorganisatie, ethiek en wetenschap, zoals de alchemie zich tot de chemie verhoudt, zoals de abacus zich verhoudt tot de Samsung Galaxy Tab en zoals bloedzuigers zich tot de moderne geneeskunde verhouden.

Men is bang van god om dezelfde reden als kinderen in het donker bang zijn van monsters. Gelukkig steken steeds meer mensen het licht aan. Maar als u wil, mag u in uw duisternis blijven zitten.

Vriendelijke groet,
Folker

woensdag, april 13, 2011

Gedeelde smart is halve smart

Is gelijkheid misschien de oplossing voor één of twee samenlevingsproblemen?
In reactie op Marc De Vos (DM 13/04).

Het is me, na drie lezingen, nog steeds niet duidelijk waarom professor De Vos zijn bijdrage (DM 13/04) precies geschreven heeft. Wat als het inderdaad is zoals De Vos zegt, dat samenlevingen met meer maatschappelijk vertrouwen ‘gewoon’ meer aan inkomensverdeling doen? Zolang we geen manier hebben om dit maatschappelijk vertrouwen op te krikken, lijkt het toch geen slecht idee om op z’n minst eens te kijken wat er gebeurt als we de inkomensongelijkheid ‘gewoon’ iets minder extreem maken.

Of zijn we zelfs daar niet Scandinavisch genoeg voor? Want laten we wel wezen, wij zijn geen Scandinaven. Maar we zijn ook geen Fransen, Britten of Amerikanen, en toch hebben we een parlementaire democratie, een grondwet en een lichte neiging tot vetzucht. Cultuur is geen persoons- of locatiegebonden iets en werd al geëxporteerd en geïmporteerd nog voor er een monetair systeem bestond.

Maar dit monetair systeem blijkt uiteindelijk de grootste struikelblok. Want meer inkomensgelijkheid zou de opkomende economieën afremmen; een schande, nadat we ons er al jarenlang zo hard voor hebben ingezet... Meer inkomensgelijkheid zou zelfs niet mogelijk zijn in een kenniseconomie en zou in feite niets meer of minder betekenen dan de ondergang van ons systeem. Enorme overheidsschulden, geen sociale zekerheid en vergeet al helemaal enige vorm van innovatie en investering.

Daar komt het op neer, volgens professor De Vos: ongelijkheid is inherent aan het systeem en veel meer dan wat formele steunbetuiging aan menselijke gelijkheid kunnen we niet geven, omdat het systeem altijd de hoogste prioriteit heeft. Geen ongelijkheid, geen systeem; geen systeem, blinde paniek.

“Ongelijkheid heeft nadelen,” eindigt professor De Vos, “maar meer gelijkheid is ook niet gratis.” Uiteraard, maar waar ongelijkheid voornamelijk in natura betaald wordt door de onderlaag, worden de kosten van gelijkheid door de hele maatschappij gedragen.

Kunnen we daar niet op z’n minst naar proberen te streven?

Folker

dinsdag, februari 01, 2011

Omdat een mens iets moet doen met irritatie

In reactie op Fons Vanden Berghe (in Humo 3674):

Zeggen dat alle dokters die zich niet laten inenten automatisch tegen vaccins zijn, is zeer kort door de bocht, aangezien een groot deel van de beroepsbevolking uit gezonde volwassenen bestaat die niet in een risicogroep zitten; meer zelfs, als een vaccin maar beperkt beschikbaar is, kan een gezonde volwassene ethisch gezien moeilijk anders dan weigeren.

Maar laten we vooral stoppen met de term 'alternatieve geneeskunde' te gebruiken, want dat doet uitschijnen dat het een wetenschap is. In tegenstelling tot vaccins, worden 'alternatieve geneeswijzen' (of het nu gaat om stenen met magische, sorry, energetische eigenschappen, of giftige stoffen die zodanig verdund zijn dat er enkel water overblijft) op geen enkele manier getest waaruit zou kunnen blijken of ze al dan niet werken. Behalve natuurlijk door de cynische non-believers die allemaal in de zak van de farma-industrie zitten en samen met de duivel grote wetenschapsorgieën houden bovenop hun bergen geld. Zij hebben al duidelijk aangetoond dat er in feite geen alternatief is voor geneeskunde.

Behalve blinde hoop, misschien, maar dat kan ik u minstens de helft goedkoper aanbieden.

maandag, december 20, 2010

Vloek

Goden, bedwing uw gal.
Oh, meesters van lot en leven,
Dien nu uw scheppers
  (de mens verheven)

Vernietig vriend en vijand,
Eer de hypocriet.
Redenen zonder rede,
De dood van het verdriet.
Oost, West,
Meer voor de mijnen,
Minder voor de rest.
Ergens is er wel een nieuwe oerknal.

Goden, bedwing uw gal.

maandag, oktober 11, 2010

Profetie

Aangezien dit soort etherische lezersbrieven maar zelden in aanmerking komen voor publicatie, ben ik blij dat een 21ste eeuwse jongeling als ik over een klein forumpje kan beschikken. Het bereik is misschien een stuk kleiner, maar de impact ervan is waarschijnlijk even groot. In een bevlieging ga ik er een kleine inleiding voor plaatsen, en als u maar één iets leest, lees dan liever de inleiding dan de lezersbrief zelf.


Er bestaat een profetische afschuw. Een profetische haat. Die ontspruit niet uit angst of eigenbelang, maar borrelt, onstelpbaar als een bron, op uit het mededogen met het leven van de kleinen en de vertrapten. Die profetische, toornige haat, tegen de dood, tegen de oorlog, tegen de macht, tegen het onrecht, tegen de lafheid, is heilzaam. En onmisbaar. Want voor je het weet, word je ongemerkt ingesponnen in gerieflijke machtswebben. Tot collaboratie gedwongen, of ertoe verlokt. Om je als een vrij mens staande te houden in een wereld van machtsnetwerken en functionele circuits, efficiënt geschakeld als elektronische bedradingen, mag je de ogen niet sluiten voor de slechtheid van de wereld, maar moet je haar juist met paranoïde hardnekkigheid opzoeken , om er dan, zo radicaal als het kan, en met het volste morele voorbehoud, afstand van te nemen en er iets anders tegenover te stellen, iets ongehoord, iets ongezien - een tegenschepping. Fris en klaterend als een bergbeek.

Weyns, Walter (2008), 'Het geval Canetti'. Leuven & Voorburg: Acco



Het nationalisme, die religie van de seculiere samenleving, grijpt weer duchtig om zich heen. Met de altijd aanwezige implicaties van een ‘natuurlijk volk’ en een ‘artificiëel land’, het soort onzin waar te weinig mensen blijkbaar echt over nadenken, worden we verdeeld in de onzen en hunnen; Dat een ‘natuurlijk volk’ niets meer is dan een irreëel ideaalbeeld, en dat elk land, per definitie, artificiëel is, dat gaat verloren in de strijd die macht altijd met zich meebrengt.


België heeft wel degelijk problemen, maar onze oplossingen lijken niets meer te zijn dan het doortrekken van de lijn die deze probelemen in de eerste plaats veroorzaakt heeft. Ons opgeblazen politiek apparaat  kost ons nu al handen vol geld, en om het efficiënter te doen lopen, gaan we bevoegdheden splitsen die nu door één kabinet worden gedragen, en en effect het aantal politici en werknemers daarvoor verdubbelen.
Wat uiteraard het gevolg is van onze tamelijk zeldzame situatie, namelijk die ene minderheidsgroep die bijna op elk vlak gelijkwaardig is aan de meerderheid. Tot ruim een halve eeuw gelden waren “wij, Vlamingen”, die minderheidsgroep. Zolang ik al leef, echter, ongeveer een kwarteeuw, heeft Vlaanderen op geen enkel vlak, cultureel, economisch of politiek, voor Wallonië moeten onderdoen. Ik heb nog nooit een Franstalige premier, sorry, eerste minister gehad. Maar zo gedragen we ons wel, als een opgegroeide Calimero, nu eerder wat zielig en genânt, dan schattig en hulpbehoevend.


Het is niet de (d)evolutie waar ik op gehoopt had. In plaats van ons te gedragen als kinderen die thuis geslagen werden en nu zelf hun kinderen te slaan, had ik gehoopt op een ‘goed, eendracht maakt macht, laten we eens kijken hoe we dichter naar elkaar toe kunnen groeien.’ Een diversificatie van onze identiteit en een unificatie van ons streven. Wat we zouden kunnen bereiken. Een bevolking die haast zonder fout twee-, of zelfs drietalig is, zou de basis kunnen vormen voor een Europese eenheid die zich met een zekere geloofwaardigheid kan profileren als een stabilizerende kracht in deze wankele tijden. Een harmonisering van de Angel-Saksische, de Romaanse en de Germaanse zienswijzen, dat is wat ik België had zien worden; een kleine stap in de juiste richting.


Maar eigen volk eerst is jammer genoeg niet langer enkel de wensdroom van een marginale neofascist. Bart De Wever is zeker geen Geert Wilders, maar wat de mensheid als verbonden geheel betreft, zit België niet in een processie van Echternach, maar doet het een licht belachelijke moonwalk.


Folker Debusscher
Antwerpenaar, Vlaming, Belg, Europeaan, Terraan