woensdag, augustus 08, 2012

A single light of science



There is a single light of science, and to brighten it anywhere is to brighten it everywhere. Toegegeven, dat citaat komt van Isaac Asimov, een science-fiction schrijver, maar een beetje wisselwerking tussen de science en de fiction kan zeker geen kwaad.

De landing van Curiosity is een prestige project, zeker, maar om het pure geldverspilling te noemen is toch wat kort door de bocht. De Large Hadron Collider heeft al vele malen meer geld opgeslorpt, zonder zelfs maar mogelijke, al dan niet naïeve, praktische toepassingen in de toekomst. De wetenschap mag en moet soms verstoken blijven van instant gratification, want als we enkel zouden reiken naar wat binnen handbereik lag, konden we onmogelijk onze zienswijzen aanpassen.

Ja, de oorspronkelijke space race was veel stoerdoenerij, maar het heeft wel onze huidige geïnformatiseerde samenleving mogelijk gemaakt. Net zoals Columbus’ reizen een veel grotere impact hadden dan de beperkte economische drijfveer waarmee ze bekostigd werden. Al kon men toen onmogelijk voorspellen dat mensen honderden jaren later op zeven uur de oceaan zouden kunnen overvliegen (of zelfs drie uur met de Concorde).

Zeggen dat onze toekomst niet in de ruimte ligt, getuigt ofwel van profetische gaven, ofwel van hoogmoed. Laten we onze nieuwsgierigheid niet beteugelen omdat wij, of zelfs onze kinderen, er geen reusachtige vruchten van kunnen plukken. En misschien kan de wetenschap wel wat populisme gebruiken, want als prestige project lijkt Curiosity me toch een klein beetje nuttiger dan de vele malen duurdere Olympische Spelen. Een klein beetje.

woensdag, mei 02, 2012

Poor Towlie...

Men neemt een helft ‘de handdoek in de ring gooien’, mengt dit met wat uitgelekte vroedkunde (daar waar men werpen kan), kruidt het geheel met een flinke dosis je m’en foutisme (merk maakt niet uit, maar Brabants is, uiteraard, best) en voila: “Gingrich werpt handdoek in Amerikaanse verkiezingen” een titel die de grenzen van de begrijpbaarheid aftast.

Sure, sure, iedereen wist al maanden dat de Newt het niet zou halen. (Terzijde, je kind naar een bloem of een vogel vernoemen, tot daar aan toe, maar naar een salamander? Vreemd, bijna wreed, maar nog steeds beter dan Zus, of Mensje, of Bloem, of Meel, of Plant …) Toch is dat geen excuus voor dit soort onduidelijkheid, moedwillig of niet. Zegswijzen gebruiken om de waarheid te omfloersen is de taak van de populist. De journalist, daarentegen, moet zo helder en onambigu zijn als maar mogelijk. Dit, bijvoorbeeld, is hoe het wél moet.

“Maar Folker,” hoor ik u denken, “zo makkelijk is dat niet, goeie titels bedenken.” Dat valt echter best mee.

Enkele alternatieven:
Gingrich gooit (de) handdoek in (de) ring (zo kort dat er zelfs lidwoorden gebruikt kunnen worden)
Gingrich geeft het op (geeft op? Alleszins, kort en helder)
Gingrich zoekt niet langer Republikeinse nominatie (want ‘Amerikaanse verkiezingen’ is ook zeer vaag en inaccuraat)
Newt knows nobody needs Newt (telt dit als alliteratie? Misschien eerder iets voor The Sun, maar toch) 
Old rich white guy drops out of the old rich white guys race (vaag, maar wel accuraat)

dinsdag, april 17, 2012

Keiletterlijk

Ah, De Morgen, wat ben ik blij dat jullie zo slordig met taal omgaan; op deze manier kan ik elke vorm van inhoudelijkheid vermijden en me gewoon op de nutteloze details concentreren.

Niemand struikelt nog over het voorvoegsel 'kei-' in een puur versterkende betekenis. En weet je wat, keigoed, dat. Ik kan geen argumenten vinden om het taalverarming te noemen, integendeel zelfs. In de trailer van 'Extremely Loud & Incredibly Close' werd de uitspraak "You rock." ondertiteld met "Keigoed." en ik zag dat het goed was. [Edit: de scène ging over een steen, trouwens.] De ondertiteling alleszins; de film zelf, meh...

Maar sommige woorden hebben een tamelijk specifieke betekenis die bij een fout gebruik wat idiote gevolgen heeft.

Example:

In dit artikel over de prijsstijging van het Spawater staat "Het bewijs wellicht dat het water aan de lippen stond. Letterlijk." Geen groter bewijs dat er iets mis is met ons economisch systeem, als er bij elk bedrijf een persoon in een kamer staat, de voeten vastgeklonken aan de vloer, waar er water binnenvloeit als de inkomsten dalen. Tot op het punt, natuurlijk, waar ze zodanig in de rode cijfers duiken, figuurlijk, dat de mannen in maatpakken die door de plexiglazen wand observeren tegen elkaar zeggen "Ja, ze is dood, we moeten het failissement aanvragen." Onmenselijk gewoon.

dinsdag, maart 06, 2012

Soms is het geen lezersbrief waard

“Intuïtief merk ik gewoon dat Vlamingen vanuit een meer bescheiden positie dingen proberen [te] bereiken”, zegt doctor in de psychologie Erna Claes in een klein, onbelangrijk berichtje in De Morgen (06/03). Ik glimlachte vanwege het mooie compliment, zelfs na de wankele bewering dat de Vlaming assertiever is dan gedacht omdat zes op de tien zichzelf assertief vinden volgens een CM enquête.* De rest van het artikel haalt ook nog aan dat ‘wij’ de harde confrontatie uit de weg gaan, maar niet te beroerd zijn om onze mening te geven. Dat lijkt me ook wel praktisch, aangezien de harde confrontatie er zowat altijd voor zorgt dat beide zijden zich achter hun schild verschuilen en gewoon wat naar elkaar roepen.

Een leuk, positief berichtje dus. Nee, natuurlijk niet, anders zou ik dit niet schrijven. Ik wil me opwinden, verdorie!

Want na het citaat waarmee ik deze post begon, volgt er nog het volgende: ‘Toch is dat niet altijd slecht: “Elk gedrag heeft zijn waarde.”’ Oooh, de pedanterie. Degoutant vind ik dat, zo neerkijken op het concept bescheidenheid. Van Claes kan het me niet veel schelen, zij is immers ‘gespecialiseerd in assertiviteitstraining’, waaruit ik afleid dat ze a) Nederlandse is** en b) mensen minder aangenaam maakt in de dagelijkse omgang. Maar de zin ‘Toch is dat niet altijd slecht’ getuigt van zo’n verwrongen wereldbeeld, waarbij bescheidenheid als iets negatiefs wordt ervaren. Bah.

Om maar te  zeggen: dat kan ik beter!


* De meerderheid vindt zichzelf altijd bovengemiddeld, en waarom ook niet.
** Of misschien ook niet; waarschijnlijk mijn licht nationalistische (of zijn zelfs onze noorderburen al een ander "ras") insteek. Het waarheidsgehalte van b) kan u best ook in twijfel trekken.

donderdag, maart 01, 2012

An ode to the Reapers

The Reapers are coming!

                We are the fruits of their labor.

The Reapers are coming!

                We have grown within their plan.

The Reapers are coming!

                Praise be to our cultivators.

The Reapers are coming.
Just as the farmer does not create the grapevine, so too have we been created by nothing more than chemistry and luck. Life is a miracle, but life is also without purpose. We grow in chaos, the strong killing the weak, the weak strangling the strong, never reaching our potential. Humanity would have perished, trapped in its little solar system. But just as the vine grabs hold of the farmer’s framework and can reach both the fertile soil and the blissful sun, so too have we been allowed to grow beyond ourselves. The mass relays…

                The Reapers are coming!

The mass relays have connected us to the rest of the universe and what wonders we have witnessed.

                Hallelujah!

Other planets and other peoples, each of them unique, but each of them interconnected and, now, interrelated. A great galactic civilization, one that we have only been able to build thanks to the enormous framework that the Reapers provided.

                Praise be to the Reapers!

And now our time is at an end. The time for the harvest has come. Should we resist?

                No!

It is irrelevant. We cannot resist, any more than wheat can resist the thresher. We should not resist, any more than the wheat should resist the thresher. And of course, we will not resist. But some people are scared, frightened by the only purpose our lives have ever had.

                Cowards!

The seeing cannot blame the blind. All we can do is try to lead them. We are not lambs to the slaughter, we are the chosen fulfilling what we are put here to do. This is not our end, this is our salvation. Celebrate your life, celebrate your loved ones. We will live forever. The Reapers are coming.

                The Reapers are coming!

woensdag, februari 29, 2012

Kinda gamey

(Waarom) hou ik van Game of Thrones?

Het zijn zelden onschuldige vragen die met waarom beginnen. En ook nu aarzelde en haperde ik toen deze vraag (met ‘jij’ ipv ‘ik’) op mijn muur verscheen. Want waarom hou ik van GoT en, bij uitbreiding, van ‘A Song of Ice and Fire’? Dat ik er van hou staat voor mij buiten kijf; het televisieaanbod is niet van die aard dat we enorm kieskeurig kunnen zijn, maar dat is een reden om naar ‘The Big Bang Theory’, ‘Castle’ of ‘House’ te kijken (wat ik ook met veel plezier doe). Met dat soort audiovisuele lectuur staat GoT in contrast, neigend naar een literairder, intellectueler niveau (zonder dit per se te bereiken); ook in tijden van overvloed zou het de selectie halen, me dunkt. Dat geldt evengoed voor de boekenreeks: ik ga ze geen literatuur noemen, maar denk er wel zo over, toch zeker binnen het fantasygenre (lagere standaarden...). Natuurlijk heb ik lang niet alles gelezen wat de fantasy te bieden heeft, maar George R.R. Martin steekt wel met kop en schouders uit boven de andere fantasy auteurs die ik ken, als Robert Jordan of Robin Hobb. En ja, hij is ook beter dan Tolkien, maar dat is niet moeilijk, want 'The Lord of the Rings' is saai en oninteressant.*

There, I said it. Moving on.

Het aspect waar Martin in slaagt, waar vele anderen falen en waarom ik fan ben van zowel GoT als ASoIaF, is psychologisch realisme. De personages, zowat alle personages die in het verhaal voorkomen, hebben een driedimensionale binnenwereld. Ze gedragen zich menselijk in de situaties waarin ze terecht komen, waardoor het verhaal ook wat kan afstappen van de stereotypische ‘evil’ tegenstanders. Dit in tegenstelling tot de meeste fantasy, die min of meer Satan en zijn duivels opnieuw en opnieuw recycleren. “The bible did it!”** ASoIaF/GoT heeft ook een duisternis die de wereld bedreigt, maar het is een schaduw die over de andere conflicten hangt, niet de basis van de plot.

Oh, en seks natuurlijk. Dat is voor de verandering geen dom mopje. Constant verbonden met de rest van de wereld als we zijn (en enkel afgekoppeld als we het zelf kiezen) kunnen we het ons misschien moeilijk voorstellen en, toegegeven, de kans bestaat dat ik de bal helemaal mis sla, maar in een wereld zonder boekdrukkunst of enige vorm van audiovisuele kunsten die makkelijk reproduceerbaar en verspreidbaar zijn, blijven er drie hoofdvormen van entertainment over: theater (inclusief de zingende minstreel), geweld (toernooien, executies, bar fights; ook te vatten onder de noemer ‘sport’) en seks. En daardoor zorgt de combinatie van incest en onthoofde paarden voor realisme.***

Hierdoor is het een far cry van de raciaal gesegregeerde maatschappij waar LotR zich afspeelt, of de Romantisch ridderlijke ingesteldheid, op het kinderlijke af, van de hoofdpersonages van Jordan’s The Wheel of Time. ASoIaF/GoT is daarom niet onmiddellijk een must-read of een must-see, maar met een culturele industrie die dagelijks meer produceert dan een individu op een week kan verwerken, weet ik niet of dat nog bestaat.

Behalve dan ‘Dune’, van Frank Herbert. Dat moet u sowieso gelezen hebben.

* Als het u irriteert, mag u overal ‘naar ik meen’, ‘vind ik’, of ‘maar dat is mijn mening, natuurlijk’ erbij zetten, maar daar dit mijn weblog is, leek het me wat overbodig.

** Voor wie niet voldoende onderlegd is in de Amerikaanse culturele hegemonie: meer uitleg en een filmpje (dat zal werken zodra de maintenance voorbij is). 

*** Dat is een unieke zin, gok ik.

woensdag, februari 22, 2012

Poor guy...


Simple

At the end of the dusty road, Cimple stands on the corrugated iron porch of the two chamber hut that could barely be called a house. Cimple is relatively happy, even though he would never say that. There is plenty he avidly disagrees with, but it rarely occupies his mind, and always briefly. Cimple stands at the end of his dusty road and laments the state of the world, in so far as he knows it. He packs his pipe and stares at the mountains limiting his reality, the mists around their peaks as thin as they’ll get today. At the foot of the mountain there’s a village Cimple calls a town. Not a heinous place, it has a church and a priest, but the beer they sell is flat. Cimple doesn’t like going there, for reasons he can’t really put his finger on. Maybe, he thinks, maybe it’s the annoying vagrant children that come begging when I arrive at the other side of my dusty road. They remind him of himself and that disquiets him, with no explanation sought or found. No one has ever remarked on it, not even the whore, their supposed mother, but Cimple still feels obligated to throw them a few coppers every time.

What is completely lost on him, however, (and amongst many other things,) is that all of this is his. Not just the children, marked with his big ears, or the dusty road, comprised of his footprints. The whore as well, who always makes him thankful for the flat beer, and the priest, same, are both his. Even the wooden church, a decaying ruin no carpenter would enter, is his. Not his possession, Cimple has rough toilet paper and just enough money to remain drunk. This was all his, the mountains and the children, the dust and the religion, and it’s his limitation. Even at those times when he puts on the television, allowing his fear to be fed by people he trusts completely, even then there is only, at the most, the illusion of a bigger world. At those times Cimple can almost comprehend the barriers that hold and guide him, back and forth, shuffling through the dust. Beyond the mountains and beyond the village there is nothing and in the village as well, in between the children and the priest and the whore, an oppressive nothing. Cimple can feel it, a void that pulls at him, tries to fill itself. Cold and cancerous, ever growing and ever unknown. Every year the void seems a little more corporeal, a little less comprehensible, a little creepier.

When the mists stop coming to obscure the peaks, Cimple hasn’t walked down his dusty road in a long while. He still stares often at the mountains in the distance, but he can see them less and less. Someone he vaguely recognizes brings him flat beer every now and then and joins Cimple as he watches the people he trusts, maybe trusted, but who still scare him. The unknown void seems almost tangible in those finale years and during the many hours spent in solitude Cimple comes to long for it. His reality feels like a prison and every once in a while he realizes that nobody had built it but him.

The void eventually engulfs the cabin. The village manages to resist a little, but falls to it just the same. Entropy does the rest. As always.


Simpel

Aan het einde van een stofweggetje staat Cimpel, onder de golfplaten veranda van een tweekamerhut die enkel met veel moeite een huis genoemd kan worden. Cimpel is betrekkelijk gelukkig, al zou hij dat zeker niet zelf zeggen. Er is genoeg waar hij het grondig mee oneens is, maar hij denkt er zelden aan, en nooit lang. Cimpel staat aan het einde van zijn stofweg en beklaagt zich de staat van de wereld, voor zover hij die kent. Hij stampt zijn pijp aan en staart naar de bergen die zijn realiteit begrenzen, de slierten mist rond de toppen op het dunst van hun dag. Aan de voet van de bergen ligt een dorp dat Cimpel een stad noemt. Geen oord van verderf, er is een kerk en een pastoor, maar je kan er enkel flauw bier kopen. Cimpel komt er niet graag, om redenen die hij zelf niet kan verklaren. Misschien, denkt hij, zijn het de irritante straatkinderen die komen bedelen als ik aan het andere eind van mijn stofweggetje aankom. Ze doen hem aan zichzelf denken en dat zint hem niet, zonder dat hij precies weet waarom. Niemand heeft het ooit opgemerkt, zelfs de hoer, hun vermeende moeder zegt niets, maar toch voelt Cimpel zich altijd verplicht om wat koper in hun richting te gooien.

Wat hem echter ontgaat – wat hem echter onder andere ontgaat – is dat dit alles het zijne is. Niet alleen de kinderen, gemerkt met zijn grote oren, of de stofweg, een geheel van zijn voetafdrukken. Ook de hoer, die hem altijd dankbaar maakt dat er bier te vinden is in het dorp, en de priester, idem, zijn de zijne. Zelfs de houten kerk, een bouwval die geen ambachtsman zou trotseren, is van hem. Niet als bezit, Cimpel heeft ruw toiletpapier en amper genoeg inkomsten om dronken te blijven. Dit alles is de zijne, de bergen en de kinderen, het stof en de religie, en het is zijn beperking. Zelfs op die momenten dat hij de televisie opzet en zijn angst laat voeden door mensen die hij al zijn vertrouwen geeft, zelfs dan is er enkel, hoogstens, een illusie van een bredere wereld. Op die momenten kan Cimpel bijna de grenzen bevatten die hem inperken en sturen, heen en weer sloffend door het stof. Voorbij de bergen en voorbij het dorp is er niets en ook in het dorp, tussen de kinderen en de priester en de hoer, een drukkend niets. Cimpel voelt het, de leegte die aan hem trekt, zich probeert op te vullen. Kil en kankerig, altijd groeiend en altijd onbekend. Elk jaar wordt de leegte ongrijpbaarder, onbegrijpelijker, angstaanjagender.

Wanneer er geen mist meer rond de toppen hangt, kan Cimpel zijn zandweggetje niet meer afwandelen. Hij staart nog geregeld naar de bergen in de verte, maar kan ze steeds minder goed zien. Iemand die hij vaag denkt te kennen brengt hem soms flauw bier en kijkt mee naar de mensen die Cimpel vertrouwt, misschien vertrouwde, maar die hem angstig maken. De onbekende leegte lijkt haast tastbaar in die laatste jaren en tijdens de vele eenzame uren begint Cimpel ernaar te verlangen. Zijn realiteit voelt als een gevangenis en het besef dringt af en toe tot hem door dat die enkel door hem gebouwd kon zijn.

De leegte slokt de hut uiteindelijk in haar geheel op. Het dorpje biedt iets meer weerstand, maar valt er even goed ten prooi aan. Entropie doet, zoals altijd, de rest.

 

woensdag, januari 11, 2012

As himself...



Waarschijnlijk gewoon haakjes vergeten.
Maar toch denk ik graag dat iemand bij De Morgen er voor de lol dit soort mopjes insteekt...

maandag, december 05, 2011

For shame!

Beste De Morgen,

Al die "Persoon X gooit de handdoek" titels irriteerden me matig. De eigenlijke uitdrukking is 'de handdoek in de ring gooien', afkomstig uit de bokswereld, waarbij de trainer een match kan forfaiteren door een handdoek in de ring te gooien. Gewoon zeggen dat iemand een handdoek gooit, betekent niets anders dan dat er letterlijk met een handdoek gegooid wordt en is meestal geen nieuws. Ongetwijfeld worden deze titels ingedekt met een 'je snap toch wat er staat', maar dat argument is amper geldig in gesproken conversaties en in het geheel niet in wat we nog steeds 'een kwaliteitskrant' noemen.

Maar de titel "Pizzakoning Herman Cain gooit de handschoen in presidentsrace" betekent het omgekeerde van wat er bedoeld wordt. 'De handschoen werpen' betekent een uitdaging geven, 'de handschoen opnemen' betekent een uitdaging aangaan. Maar Cain gooit de handdoek in de ring. Geeft de handschoen terug, misschien, als het echt iets met handschoenen moet zijn?

Om kort te gaan, als jullie me toch nog als freelance eindredacteur willen aannemen, ik ben nog steeds beschikbaar. Want het wordt zo stilaan toch wel gênant...

Vriendelijke groet,

Folker

maandag, oktober 31, 2011

A Rose by Any Other Name


Het artikel over het populismeonderzoek van Elchardus enSpruyt (DM 29/10) bevat vreemde uitgangspunten. Waar er staat “Zij definiëren populisme als een kloof tussen goede, verstandige 'gewone mensen' enerzijds en [een] wereldvreemde en al dan niet corrupte 'elite' anderzijds.” denk ik dat ze het waarnemen van een vermeende kloof bedoelen. Anders zou populisme iets zijn als de loonkloof, namelijk een statistisch feit.

Maar zelfs dan is deze definitie nodeloos beperkt. Door de verplichte tegenstelling tussen het volk en de elite, vallen populistische leiders die zelf deel uitmaken van de elite, zoals Chavez of Poetin, onmiddellijk uit de boot. De schuld bij de elite leggen is slechts één mogelijkheid tot het creëren van een zondebok. En hoewel elke populist een zondebokgroep nodig heeft, kan dit evengoed op basis van ethniciteit, sociale klasse of taal.

Een tweede vreemd uitgangspunt, naast de beperkende definitie, is de bewering dat het populisme enkel een succesvolle strategie kan zijn als er hiervoor een voedingsbodem bestaat. Dit is echter niet zo voor de hand liggend en lijkt eerder wishful thinking dan wetenschap.  Een populist kan immers evengoed falen door de eigen onkunde als door het gebrek aan voedingsbodem. Omgekeerd kan een populist die slaagt evengoed zelf de voedingsbodem gecreëerd hebben.

Een duidelijk, maar altijd precair voorbeeld van het populisme is het nationaal-socialisme. Als we de lijn van dit populismeonderzoek doortrekken, volgt daaruit dat de genocides onder leiding van de NSDAP de natuurlijke uitloper waren van een algemeen heersend gevoel onder het Duitse volk waar Hitler en de zijnen op inspeelden. Dit is op zich zeker aannemelijk. Maar dit gevoel was waarschijnlijk geen irrationele haat voor iedereen die op een of andere manier “anders” (tussen vette aanhalingstekens) was. Het heersende sentiment dat toen misbruikt werd, was er eerder één van wanhoop en armoede vanwege de torenhoge staatschuld en slabakkende economie die het land in hun greep hielden in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog. En dáárvoor boden de nazi’s een gigantische zondebok die, eens geslacht, alle problemen zou oplossen.

De grootste misvatting lijkt me dan ook dat de onderzoekers uitgaan van het bestaan van een populatie die niet als voedingsbodem voor het populisme kan dienen. Het is in tijden van economische crisis altijd aantrekkelijk om één groep te beladen met alle zonden van Israël en deze vervolgens uit de samenleving te verwijderen, met geweld of desnoods met een staatshervorming. Maar ‘het volk’ laat maar zelden een slogan die haar aanspreekt links liggen. Of we nu met z’n allen Barabas vrijlaten, uit volle borst “Geen gezeik, iedereen rijk!” scanderen, dan wel alle problemen van de samenleving vatten onder de noemer “verstrikking”, ik denk dat het pas nieuws kan genoemd worden als er een grote groep mensen wordt gevonden die niét vatbaar is voor populisme.


Folker Debusscher
gepeupel
Antwerpen